Overslaan en naar de inhoud gaan

Op weg naar een bredere acceptatie van homeopathie (deel 2 van 2)

Echinea

Op weg naar een bredere acceptatie van homeopathie (deel 2 van 2)

De werking van homeopathie ís aangetoond – maar past nog niet in het denkkader…

Er zijn voldoende wetenschappelijke aanwijzingen dat homeopathie wel degelijk een natuurwetenschappelijke basis heeft. Alleen valt die basis buiten de gangbare manier van denken binnen de reguliere geneeskunde, die uitsluitend accepteert dat een middel kan werken wanneer dit materieel (op cel- dan wel moleculair niveau) kan worden aan-getoond.

Het weerleggen van de argumenten van de reguliere geneeskunde

Het eerste artikel in deze serie van twee eindigt met de conclusie dat de homeopathie een belangrijke barrière heeft te nemen als ze geaccepteerd wil worden door de reguliere geneeskunde. Die barrière bestaat uit het weerleggen van de principiële tegenwerping vanuit de reguliere geneeskunde dat een middel niet kan werken zonder moleculen. Dat is geen geringe barrière, want vrijwel de gehele basis van de reguliere geneeskunde is het uit-gangspunt dat uitsluitend moleculaire werking kan zorgen voor biologische effecten. Met andere woorden: als je geen moleculen kunt onderscheiden in een bepaald middel, kan dat middel ook nooit effect hebben op het menselijk lichaam.
Beweren dat dit wel eens anders zou kunnen liggen, wordt al snel als medische ketterij be-schouwd. Toch zijn er wel degelijk argumenten die het reguliere standpunt kunnen ontzenuwen.

1. Er is meer dan alleen chemie (= moleculen), namelijk: informatie

Puur chemisch gezien is het juist dat een homeopathisch middel ‘niets meer is dan een flesje met water en alcohol’. Maar het eerste argument tegen het reguliere standpunt dat dit dan dús niet kan werken, is de vraag: Hoezo eigenlijk niet?

De natuurwetenschappen kennen beduidend meer manieren waarop iets kan ‘werken’ dan alleen maar het moleculaire niveau. We leven in het informatica-tijdperk. Iedere dokter zet zijn televisie aan met een afstandsbediening en belt, appt en internet met een smartphone. Daar komt geen molecuul aan te pas, en toch werkt het! De harde schijf van een computer met daarop alle defensiegeheimen van Nederland weegt net zoveel als een identieke schijf die helemaal geen data bevat. Bij een chemische analyse wordt dus ook geen enkel verschil tussen deze beide harde schijven gevonden. Net zoals een volgeschoten fotorolletje evenveel weegt als een leeg fotorolletje en ook hier een chemische analyse geen enkel onderscheid zal laten zien tussen de twee rolletjes.

Het verschil tussen de beide schijven en de beide fotorolletjes is: informatie. En informatie is ook exact datgene wat een ‘gewoon’ flesje met water en alcohol onderscheidt van een homeopathisch middel. Homeopathie berust op informatieve principes; daar is geen moleculaire werking voor nodig.

2. Elektroacupunctuur toont de fysieke werking van homeopathische middelen aan

Elektroacupunctuur kan een bijdrage leveren aan het weerleggen van het reguliere standpunt tegen de homeopathie. Met elektroacupunctuur kan namelijk zeer aanschouwelijk worden gemaakt dat homeopathische middelen onmiskenbare lichamelijk effecten hebben. Het gaat dan misschien niet om ‘hard’ wetenschappelijk bewijs, maar van iets dat zintuiglijk waarneembaar is, gaat wel meer overtuigingskracht uit dan bijvoorbeeld van de statistische gegevens die er inmiddels ook zijn over de werking van homeopathie.

Elektroacupunctuur is in de jaren vijftig van de vorige eeuw ontwikkeld door de Duitse arts Reinhold Voll en diens medewerkers.1,2,3,4 Deze methode is niet zozeer bedoeld om acupunctuurpunten te stimuleren (zoals bij andere vormen van acupunctuur), maar om te diagnostiseren wat de conditie is van de acupunctuurpunten en hun geleidingssysteem in het lichaam.

Concreet werkt dit zoals te zien is op figuur 1: de patiënt houdt een elektrode in zijn hand die is verbonden met de negatieve pool van het meetapparaat. Een metalen stift met een diameter van enkele millimeters – de meetstift die is verbonden met de positieve pool van het meetapparaat – wordt vervolgens in contact gebracht met een aantal punten op de huid. Zo is de patiënt dus onderdeel van een elektrisch gelijkstroom-circuit.

Figuur 1

Figuur 1

 

Wat wordt gemeten bij een dergelijk onderzoek, is de elektrische weerstand van de acupunctuurpunten. (Voor een uitgebreide beschrijving: zie v.d. Molen, 1981.5) Deze acupunctuurpunten hebben sowieso een lagere elektrische weerstand dan de huid eromheen. Dat feit alleen al toont hun bestaan aan – waar de traditionele Chinese geneeskunde al zeker 2.000 jaar van uitging. En dat is voor de acupunctuur dus ook een belangrijke stap naar volledige erkenning.

Nu is het al decennia lang bekend dat de elektrische weerstand van bepaalde acupunctuurpunten verandert als de patiënt een bepaalde aandoening of zwakte heeft. Zo kan bijvoorbeeld bij een nieraandoening het acupunctuurpunt dat met de nieren samenhangt een abnormale elektrische weerstand krijgen. Bij acute ontstekingsachtige processen blijken samenhangende acupunctuurpunten een lagere elektrische weerstand dan normaal te hebben; bij chronische processen wordt juist een verhoogde weerstand gevonden. Verder kan bij ziekte de elektrische weerstand van samenhangende acupunctuurpunten instabiel worden. Deze weerstand neemt dan toe tijdens de meting.

De grote verdienste van Voll en zijn medewerkers is dat ze betrouwbare apparatuur voor deze metingen hebben ontwikkeld. Verder hebben ze uitgebreid de relaties in kaart gebracht tussen pathologische processen (ziekten, zwaktes, aandoeningen, …) en afwijkende meetwaarden van specifieke acupunctuurpunten. Dit heeft een heel werkbaar diagnostisch systeem opgeleverd.

Wat is de relatie met homeopathie?

Stel nu dat een patiënt afwijkende meetwaarden vertoont bij één of meer acupunctuurpunten. Gebleken is dat deze meetwaarden weer normaal kunnen worden als hij een geschikt geneesmiddel vasthoudt. En dat geneesmiddel kan zowel ‘regulier’ als homeopathisch zijn – dat maakt in dit verband geen verschil.3,5 Zowel verhoogde als verlaagde meetwaarden gaan naar normaal en eventuele instabiele meetwaarden (die dus tijdens de meting veranderen) worden weer stabiel.
Met andere woorden: het middel dat de patiënt in zijn hand houdt, beïnvloedt de meetwaarden.

Nog fascinerender is dat dit niet alleen gebeurt als de patiënt het middel zelf vasthoudt, maar ook als dit in een metalen houder zit (de medicamentenhouder in figuur 1), die via een metalen draad met de patiënt is verbonden. Direct (huid-)contact of niet, dat maakt voor het effect dus geen enkel verschil.

Toen dit effect eenmaal was ontdekt, zijn uiteraard middelen die op deze manier herstel van afwijkende meetwaarden opleverden, daadwerkelijk als medicament aan patiënten voorgeschreven. Daarbij bleek veelal dat deze middelen opmerkelijk, soms zelfs verbluffend goed werkten. Dus zo werd de geneesmiddelentest, zoals de methode wordt genoemd, dé therapeutische pijler van de elektroacupunctuur.

En deze geneesmiddelentest blijkt binnen een proefopstelling ook nog controleerbaar te zijn. Een uitgebreid laboratoriumonderzoek van de Nederlandse onderzoeker Van Wijk en zijn medewerkers heeft laten zien dat de elektrische geleidbaarheid van acupunctuurpunten inderdaad wordt beïnvloed door middelen in de medicijnbeker. 6.7 Bij dit onderzoek is gebruikgemaakt van de opstelling van figuur 1: de middelen werden in een medicijnbeker geplaatst die via een kabeltje met de proefpersoon was verbonden.

De medicamententest is evidence-based

De metingen bleken bovendien goed reproduceerbaar te zijn. Daarmee kan de geneesmiddelentest uit de elektroacupunctuur, volgens de criteria die daarvoor gelden binnen de reguliere geneeskunde, als evidence based medicine worden beschouwd. En daarmee is dus aangetoond dat middelen wel degelijk een effect kunnen hebben zonder dat er zelfs maar sprake is van direct fysiek contact! Het enige contact tussen het middel en de patiënt is een metalen kabeltje. En zelfs dat bleek bij latere tests niet eens nodig: inmiddels is aangetoond dat de test ook volledig draadloos kan worden uitgevoerd. Hier zijn speciale zender-ontvangersystemen voor ontwikkeld, aanvankelijk door de Duitse huisarts en elektroacupuncturist Morell9, die sterk heeft bijgedragen aan de verdere ontwikkeling van de elektroacupunctuur.

figuur 2

Figuur 2

 

Figuur 2 laat een voorbeeld van een dergelijk systeem zien. De zender (links in de figuur) heeft een metalen bodemplaat die met medicamenten in contact wordt gebracht. Het ontvangdeel (rechts) wordt met de patiënt verbonden (de elektrode wordt met de hand vastgehouden).
Via deze draadloze verbinding kan de geneesmiddelentest dus ook prima worden uitgevoerd. Voorheen afwijkende acupunctuurpunten normaliseren net zo eenvoudig als wanneer de patiënt het middel in zijn hand houdt.
(De afstand tussen zender en ontvanger kan, afhankelijk van het systeem, tot 30 meter zijn. Alleen moet bij de meeste systemen een antenne worden gebruikt als de afstand tussen het zend- en ontvangdeel groter is dan een paar meter. Zoals in de figuur te zien is, is het ontvangdeel daarmee uitgerust.)

Geneesmiddelen zenden elektromagnetische frequenties uit…

De mogelijkheid om het lichaam aantoonbaar te beïnvloeden zonder fysiek contact is een fascinerende stap in de richting van een volkomen andere en nieuwe manier van denken binnen de geneeskunde en de biologie. Dat de invloed van de geteste middelen via mechanische of moleculaire weg verloopt, is namelijk uitgesloten. De enig denkbare manier waarop een middel via een metalen kabel iets kan veranderen in het lichaam van de patiënt, is via elektromagnetische weg. Er is geen andere verklaring mogelijk. Dat betekent dat de volgende conclusie onontkoombaar is: geneesmiddelen zenden elektromagnetische frequenties uit en het lichaam is in staat om daarop te reageren.

Verder kunnen de frequenties die geneesmiddelen uitzenden, blijkbaar worden uitgezonden via een zender waarmee ze in contact staan, en worden ontvangen door een elektromagnetische ontvanger. Dat is dus vergelijkbaar met de manier waarop radio- en televisiesignalen worden verzonden en ontvangen.

… en het lichaam reageert op die frequenties

De geneesmiddelentest uit de electroacupunctuur laat zien dat zowel reguliere als homeopathische middelen alleen al via hun elektromagnetische eigenschappen veranderingen teweeg kunnen brengen in het lichaam. Dat betekent drie belangrijke dingen:

  1. Elektromagnetisme speelt een rol van betekenis in het lichaam;
  2. (Ook) reguliere middelen hebben niet alleen moleculaire eigenschappen, maar ook elektromagnetische.
  3. Homeopathische middelen zijn misschien niet aantoonbaar werkzaam op moleculair niveau, maar beschikken wel degelijk (ook) over elektromagnetische eigenschappen waarmee ze aantoonbaar bepaalde lichaamsprocessen kunnen beïnvloeden.

Meting van de elektromagnetische eigenschappen

De volgende stap, waarvan nog meer overtuigingskracht uitgaat, is uiteraard het vaststellen en meten van de elektromagnetische frequenties van homeopathische middelen. Dat is gedaan; de resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd.

Technisch gezien is dergelijk onderzoek heel lastig, omdat het gaat om extreem zwakke signalen. Als een homeopathisch middel met een gebruikelijk elektromagnetisch detectie-apparaat wordt gemeten, dan wordt er niets gevonden. Dat betekent dat de signaalintensiteit zo laag is, dat deze onder de zogenaamde ruisgrens blijft. De meeste gangbare detectieapparatuur is niet in staat signalen aan te tonen die zwakker zijn dan de ruisgrens.

(De ruisgrens is het niveau van de elektromagnetische achtergrondruis uit de omgeving. Die ruis bestaat uit alle elektromagnetische trillingen die natuurlijk voorkomen en de trillingen die door technische apparatuur worden geproduceerd. De vibraties die verantwoordelijk zijn voor de omgevingstemperatuur hebben het belangrijkste aandeel in de achtergrondruis.)

Spectometrie: meting op basis van golflengten

Maar met spectrometrische methoden is het wat eenvoudiger om signalen van homeopathische middelen vast te stellen en te meten. Spectrometrie maakt gebruik van de golflengten die materialen uitzenden of absorberen nadat ze aan een elektromagnetisch veld zijn blootgesteld. Doorgaans wordt hier licht voor gebruikt.

Overigens geeft iedere stof nadat energie is toegevoerd een elektromagnetisch ‘emissiespectrum’ af, dat in de omringende ruimte wordt uitgestraald. Met andere woorden: ‘alles straalt’. Dit elektromagnetisme is een fundamentele eigenschap van materie; dat is al lang bekend. Het is echter nieuw dat die eigenschap een sleutelfunctie vervult bij de moleculaire wisselwerkingen die een farmacologische stof (d.w.z.: een stof uit een regulier geneesmiddel) binnen het lichaam heeft.

Het is diverse onderzoekers ook gelukt om via spectrometrische analyse specifieke karakteristieken van homeopathische middelen aan te tonen. Zo hebben de Franse onderzoekers Boiron en Luu duidelijke wijzigingen aangetoond in het spectrum van het oplosmiddel dat wordt gebruikt bij de totstandkoming van homeopathische middelen. In het spectrum van deze ethanol bleken specifieke (en reproduceerbare) veranderingen op te treden wanneer hier homeopathische middelen in worden opgelost.

Dit effect was zelfs nog duidelijker aantoonbaar als de oplossingen op homeopathische wijze werden verdund (“gepotentieerd”). De spectrale veranderingen bleven ook boven potentie D24 (een vérgaande verdunning) bestaan, dus in oplossingen waarbinnen volgens de wetmatigheden van de chemie geen enkele molecuul van de oorspronkelijk opgeloste stof meer aanwezig kan zijn. Tot potentie D60 was er zelfs sprake van een toename van de spectrometrische invloed van het oorspronkelijk opgeloste middel.10,11

Wat is potentiëren?

Bij het maken van homeopathische middelen wordt de werkame stof niet zomaar verdund; dit gebeurt volgens een heel specifieke methode. De stof wordt opgelost in water en/of alcohol en daarna een vast aantal keren geschud. Vervolgens wordt de oplossing aangelengd en weer een voorgeschreven aantal keer geschud. Deze stap wordt enkele keren herhaald. Hoeveel stappen plaatsvinden hangt af van de potentiegraad die bereikt moet worden. De methode wordt potentiëren genoemd, omdat de potentie (= krachtigheid) toeneemt.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van het proces de website over alles wat homeopathie betreft.

Nog overtuigender is het werk van de Duitse fysicus Ludwig, die het is gelukt om rechtstreeks te laten zien dat homeopathische verdunningen in feite elektromagnetische frequenties ‘zijn’. Hij heeft daarvoor gebruikgemaakt van solitionenspectrometrie. Dat is een complexe, kostbare en tijdsintensieve spectrometrische methode waarmee zeer zwakke elektromagnetische spectra kunnen worden aangetoond, die zich qua intensiteit beneden de elektromagnetische ruisgrens bevinden.
Ludwig heeft met deze methode kunnen aantonen dat homeopathische geneesmiddelen specifieke elektromagnetische frequenties uitzenden. Fascinerend is ook hierbij dat die aantoonbaarheid van elektromagnetische trillingen niet beperkt bleek tot oplossingen waarin nog moleculen van de oorspronkelijke stof aanwezig zijn. Ook boven potentie D24 kon Ludwig specifieke frequenties van homeopathische middelen vaststellen. Zo bleek het middel Arnica D1000 (= dus heel sterk verdund!) een emissiespectrum te hebben bij 9,725 kHz. Nog fascinerender was dat er tijdens het verdunningsproces een geleidelijke toename in frequentie bleek op te treden. Laagpotenties hadden hun emissie onder 1000 Hz, het spectrum van middenpotenties bevond zich tussen 1.000 en 9.000 Hz, dat van hoogpotenties rond 10.000 Hz.12,13,14.

Elektroacupunctuur: meting met frequentiefilters

Het is ook mogelijk om het frequentiegebied van homeopathische middelen vast te stellen met elektroacupunctuur. Morell en Rasche8,9 hebben frequentiefilters ontwikkeld die bij de geneesmiddelentest bij de elektroacupunctuur in het circuit geschakeld kunnen worden. Met deze filters kan een bepaald frequentiegebied worden afgegrensd. Het is daarmee op relatief eenvoudige manier mogelijk om het frequentiespectrum te bepalen van middelen die in de geneesmiddelentest werkzaam blijken te zijn. Een deel van de commercieel verkrijgbare bioresonantie-apparaten is met dergelijke filters uitgerust.

tabel 1

Tabel 1

De metingen van Ludwig en de bepalingen met frequentiefilters bij de medicamententest laten min of meer hetzelfde beeld zien: de frequentie van homeopathische middelen neemt toe met de verdunning (potentiëring). En overeenkomstige verdunningen van verschillende middelen hebben frequentiespectra binnen eenzelfde frequentiebereik.12,13,14,15

Oplossen, verdunnen en schudden ‘merkt’ het veld van het oplosmiddel

Water en alcohol zijn bipolaire vloeistoffen. Dat wil zeggen dat de individuele moleculen in deze vloeistoffen een positief geladen kant en een negatief geladen kant hebben.
Nu is het sinds enkele decennia bekend dat de moleculen van bipolaire stoffen onderling elektrochemische bindingen aangaan via waterstofbruggen. Door deze bindingen worden zogenaamde polymeren van moleculen gevormd: driedimensionale patronen bestaande uit 300 tot 400 moleculen; een soort supermoleculen. Daarom wordt er van clusterstructuren gesproken. Water is dus beduidend complexer dan alleen maar H2O.

Hét kenmerk van het homeopathische verdunningsproces is dat een bepaalde stof wordt opgelost in een bipolair oplosmiddel, waarna dit oplosmiddel wordt verdund en op een bepaalde manier geschud. Zie kader + link naar homeopathie.nl

Onder meer Barnard16 , Ludwig 12,13, Popp18, 19 en Weingärtner 17 hebben onderzoek gedaan dat waarschijnlijk maakt dat door het oplossen, verdunnen en schudden veranderingen optreden in de driedimensionale structuur van de polymeren van het oplosmiddel. Met andere woorden: de samenstelling van de clusterstructuur zou veranderen.
De hypothese is dat het oplossen van een stof als gevolg heeft dat het oplosmiddel een specifiek frequentiespectrum verkrijgt, dat samenhangt met de opgeloste stof. En dat, als dit eenmaal gebeurd is, de moleculaire aanwezigheid van de oorspronkelijk opgeloste stof eigenlijk geen rol meer speelt wat de emissie betreft.
Homeopathie zou daarmee berusten op het ‘merken’ van het elektromagnetische veld van het oplosmiddel. Bij iedere verdunningsstap wordt nieuw oplosmiddel toegevoegd, dat informatie overgedragen krijgt van het oplosmiddel uit de vorige stap. En die informatie kan worden overgedragen door het schudden.
Dit proces van verdunnen en schudden (waarmee energie wordt toegevoerd) zou als gevolg hebben dat het elektromagnetische ‘merk’ van de opgeloste stof bij iedere verdunningsstap in frequentie toeneemt.

De Duitse fysicus Popp heeft zich hier intensief mee beziggehouden. Hij voert aan dat de concepten uit de kwantummechanica afdoende onderbouwen dat de veranderingen in het frequentiespectrum van het oplosmiddel specifiek kunnen zijn voor de opgeloste stof. Popp spreekt daarbij van een ‘kwantumfysische geheugenfunctie’ van het oplosmiddel.18,19

Zoals gezegd rangschikken de moleculen van het oplosmiddel zich in driedimensionale polymeren van 300 tot 400 moleculen. Dat betekent dat er een onvoorstelbaar groot aantal combinaties van bindingen mogelijk is. Ervan uitgaand dat iedere polymeerconfiguratie een specifiek, eigen elektromagnetisch spectrum heeft, beschikken oplosmiddelen als water en alcohol dus over een onvoorstelbare elektromagnetische informatiecapaciteit.

Ook dit betekent een fascinerende en bijna duizelingwekkende stap naar een volkomen nieuwe manier van denken binnen de biologie en de geneeskunde: niet langer gebaseerd op materie, maar op biologische informatieprincipes. Want het voorgaande wil niet alleen zeggen dat bipolaire oplosmiddelen een elektromagnetisch geheugen hebben dat bijvoorbeeld vergelijkbaar is met een computerschijf, maar ook dat het heel waarschijnlijk is dat de natuur volop gebruikmaakt van die geheugencapaciteit van bipolaire vloeistoffen. Er zou zelfs gesproken kunnen worden van een informatiesysteem van het leven.

En het lijkt dus alleszins aannemelijk dat de werking van homeopathische geneesmiddelen op dit informatiesysteem berust. Homeopathie kan daarmee worden beschouwd als elektromagnetische geneeskunde. De patiënt wordt behandeld met een specifiek, ultrazwak elektromagnetisch signaal. En het lichaam van de patiënt is in staat een interactie met dat signaal aan te gaan, om de eenvoudige reden dat biologische systemen al sinds het begin van het leven op aarde met dergelijke signalen werken.

Bewijs voor effectiviteit … en toch een patstelling tussen regulier en complementair

Vrijwel iedereen die met complementaire medische methoden gaat werken, raakt er – doorgaans al na korte tijd – van overtuigd dat deze daadwerkelijk werken. Patiënten komen terug en blijken te zijn opgeknapt. Zij ervaren dat zelf, hun omgeving constateert het en ook de dokter kan – met objectieve en subjectieve criteria – vaststellen dat er verbetering is. De medische statistiek maakt echter duidelijk dat het vaak lastig is om uit te maken of deze verbeteringen te danken zijn aan de toegepaste behandeling of aan het placebo-effect.

Voor velen (zowel patiënten als artsen) zal dat er eigenlijk niet zoveel toe doen. Het gaat erom dat de patiënt er baat bij heeft. En of de toegepaste behandeling daar verantwoordelijk voor is of dat die behandeling alleen een rituele omlijsting van een effectief placebo-effect is, of een beetje van alle twee, is dan nauwelijks een punt van overweging.
Dit geldt overigens net zo binnen de reguliere als binnen de complementaire geneeskunde.

Maar als de betreffende behandelmethode aanspraak wil maken op regulier-medische, wetenschappelijke en maatschappelijke erkenning, is meer nodig. Voor een reguliere behandeling is sluitend bewijs van de effectiviteit doorgaans voldoende voor die erkenning. Maar zoals het eerste artikel heeft laten zien, is dat bij complementaire methoden beslist niet het geval. Bewezen werkzaamheid brengt erkenning en toepassing doorgaans geen stap dichterbij.

  • Acupunctuurpunten worden niet onderwezen in het medische curriculum en zijn niet zonder meer zichtbaar in de snijzaal en de operatiezaal. Dus als een goed uitgevoerde trial over acupunctuur duidelijke werkzaamheid laat zien, roept dat alleen maar verweer op.
  • Critici van homeopathie hebben zeker de bel van Avogadro* horen luiden, met als gevolg dat ook hier positief effectiviteitsonderzoek doodloopt op de blinde muur dat “iets dat niet bestaat, eenvoudigweg niet kán werken”.

Dus, zo luidt dan al snel de redenering: als een onderzoek naar acupunctuur of homeopathie werkzaamheid laat zien, “is er óf sprake van fraude, óf zijn er grove methodologische fouten gemaakt”. Dit ongeacht de hoeveelheid sluitend bewijs voor de werkzaamheid.

Met andere woorden: er is sprake van een methodologische patstelling die vrijwel niet te doorbreken is. Althans, niet binnen de bestaande medische denkkaders, waarbij moleculen het diepste niveau vormen waarop biologische systemen (zoals een menselijk lichaam) beïnvloed kunnen worden.

Verandering van denkkaders noodzakelijk

Dit tweede artikel heeft willen laten zien dat een moleculaire basis absoluut geen voorwaarde is voor werkzaamheid van homeopathie. Ook boven D24 verdunde homeopathische middelen kunnen zeer goed biologisch werkzaam zijn. En de verklaring daarvoor is gebaseerd op natuurwetenschappelijke principes die al meer dan 100 jaar volkomen gangbaar zijn binnen de natuurkunde. Voor een kwantumfysicus die methoden als acupunctuur en homeopathie binnen zijn eigen denkkader interpreteert, is erkenning na bewezen werkzaamheid geen enkel probleem.

Kunnen begrijpen dat iets kan werken, is een basisvoorwaarde voor erkenning. Blijkbaar is dat de manier waarop de menselijke geest werkt. De enige weg om erkenning van complementaire behandelmethoden te bevorderen is daarmee de weg richting een verandering in de manier van denken. En dat is een trage en moeizame weg. Medici en onderzoekers definiëren over het algemeen hún denkkaders als fundamentele denkmodellen. Maar dat klopt feitelijk niet. Een denkkader is veel meer een ervarings- en belevingsmodel; een model dat uitdrukt hoe de wereld wordt ervaren. Een denkkader staat voor wat de aanhangers van die manier van denken beleven als de werkelijkheid. Het denken zelf is daar hoogstens een afgeleide van.

En een denkkader heeft nog meer impact dan dat het alleen maar een venster is waardoor iemand de werkelijkheid waarneemt. In feite is het een gevoels- en geloofssysteem. Het bepaalt wat we voelen als er iets met ons gebeurt. Ons gevoel van goed en kwaad wordt grotendeels uitgemaakt door de denkkaders die we door opvoeding en opleiding hebben meegekregen.
Onze denkkaders vormen voor een aanzienlijk deel onze identiteit. Dat betekent dat het een emotionele beleving oproept wanneer zich ideeën, handelingen, uitingen en dergelijke voordoen die hier strijdig mee zijn. De aanhanger voelt zich aangevallen in datgene wat hij gelooft. Aantasting van het denkkader is aantasting van het geloof; een schending van iemands wereldbeeld. Dat verklaart ook dat er bij de dialoog tussen voor- en tegenstanders van complementaire geneeskunde altijd zo’n chaotische verwarring van wetenschappelijke en emotionele argumenten optreedt.

Oftewel: aanvoeren dat het moleculaire niveau misschien niet het diepste niveau is waarop biologische systemen beïnvloed kunnen worden, staat gelijk aan een botsing van denkkaders.

Hoe nu verder?

Zoals dat altijd is gebeurd in de geschiedenis van de wetenschap en de geneeskunde, zullen de bestaande denkkaders uiteindelijk worden vervangen door nieuwe. En uiteraard zal wetenschappelijk onderzoek dat licht werpt op de basisprincipes van zulke nieuwe denkkaders, de komst van zo’n ‘denkkaderwisseling’ bevorderen.
Tot die tijd is de speelruimte die de complementaire geneeskunde heeft om haar tegenstanders en sceptici te overtuigen beperkt. Wat we kunnen doen, is het bescheiden presenteren van effectiviteitsonderzoek, en het voorzichtig naar voren brengen van de natuurwetenschappelijke basis van de toegepaste methoden, op grond waarvan positief uitgevallen effectiviteitsonderzoek begrijpelijk wordt gemaakt.

 

Noot

* De Italiaanse wetenschapper Lorenzo Avogadro (begin 19e eeuw) bewees dat er een vast aantal moleculen zit in een vaste hoeveelheid stof. Die vaste hoeveelheid wordt ook wel mol genoemd. Een mol stof bevat 602 triljard moleculen. Dat lijkt heel veel, maar in de homeopathie worden mid-delen ook heel sterk verdund, waardoor het aantal moleculen in een mol razendsnel afneemt. Tussen de 23e en 24e verdunningsstap zijn er geen moleculen van de oorspronkelijk werkzame stof meer aanwezig en is er vanuit biochemisch perspectief alleen nog oplosmiddel meetbaar. En al vanaf de 12e verdunningsstap is er eigenlijk zo weinig van de oorspronkelijke stof over, dat een moleculaire werking hiervan onwaarschijnlijk is. De conclusie is dan dat de werkzaamheid van homeopathische middelen in elk geval niet kan berusten op een biochemische werking.

Referenties

  1. Voll R (1955) Messbare Akupunctur für den Praktiker, Erfahrungsheilkunde 4
  2. Voll R. (1955) Messbare Akupunctur; Diagnostik und Therapie für den praktischen Arzt, Deutsche Zeitschr. für Akupunctur 9-10
  3. Voll R. (1964) Medikamententestung, Nosodentherapie und Mesenchymentschlackung bzw. Mesenchymreactivierung, Med. Litt. Verlag Velzen
  4. Voll R. (1971) Electroacupunctur anderhalb Jahrzehnte Forschung und Erfahrung in Diagnostik und Therapie, M.L. Verlag Velzen
  5. Van der Molen C. (1982) Elektroacupunctuur, De Tijdstroom bv., Lochem
  6. Van Wijk R. , Wiegant F.A.C., Souren J.E.M. (1990) Electrodermaal en matrix onderzoek, Elburg, Stichting Vogelprijs
  7. Van Wijk R., Wiegant F.A.C. (1990) Invloed van homeopathische potenties op elektrische huidkarakteristieken, Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde 46 p. 459
  8. Morell F. (1985) Neue Wege der Medikamententestung, In H. Brügemann, Diagnose und Therapieverfahren im ultrafeinen Bioenergiebereich, Haug Verlag, Heidelberg p. 115
  9. Morell F. (1987) Moratherapie, Haug Verlag Heidelberg
  10. Boiron J., Luu C. (1981) Structure de l'eau et relation avec le mechanisme d'action du medicament homéopathiqe, Ann. Hom. Fr 23 p. 53
  11. Luu C., et al. (1982) Etude par effet Raman de la perturbation structurale de l'eau liquide par une substance étrangère, J. Structure Moléculaire 81 p. 1
  12. Ludwig W. (1984) Biophysikalische Diagnose und Therapie im ultrafeinen Energiebereich, Erfahrungsheilkunde 33 p. 36
  13. Ludwig W. (1985) Biofysikalischen Schwingungen im ultrafeinen Energiebereich als Grundslage neuer Diagnose und Therapieformen, In H. Brügemann, Diagnose und Therapieverfahren im ultrafeinen Bioenergiebereich, Haug Verlag, Heidelberg p. 148
  14. Ludwig W. (1990) Die Grundlagen der Bioresonanz-Therapie, In H. Brügemann, Bioresonanz- und Multiresonanz-Therapie. Neue, zukunftsweisende Therapieformen mit ultrafeinen Körperenergien und Umweltsignalen, Karl F. Haug Verlag, Heidelberg p. 215
  15. Westerman N. (2000) De biofysische sturing van biologische systemen, Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde 16:1 p. 14-24; 16:2 pp. 50-58
  16. Barnard G. P. (1965) Microdose paradox, a new concept. J. Am. Inst. Hom. 58; 205 p. 2
  17. Weingärtner O. (1985) Forschung zum Wirkung und Wirksamheit homöopathische Artzneimittel, Symposion 1984, Haug Verlag, Heidelberg
  18. Popp F. A. (1985) Electrohomöopathie unterhalb der Rauschgrenze, In H. Brügemann, Diagnose und Therapieverfahren im ultrafeinen Bioenergiebereich, Haug Verlag, Heidelberg p. 45
  19. Popp F.A. (1986) Biofysische modellen voor het begrijpen van de effectiviteit van homeopathie, blz. 40, Homeopathie wat is meetbaar? Symposiumverslag VSM Alkmaar

Lees het eerste deel van het artikel

Labels

In het nieuwste tijdschrift

 

In het nieuwste tijdschrift is onder meer uitgebreid aandacht voor:

  • Supplementen: wel of niet nodig?

  • Voeding en gezondheid

 

Word Vriend en ontvang dit digitale tijdschrift gratis.

 

Word Vriend (vanaf € 10)
en versterk de integrale gezondheidszorg!

 

Nu aanmelden

 

Naar bredere acceptatie homeopathie: 2 delen

Dit is het tweede deel van de bewerking van een artikel van Nico Westerman. Oud-huisarts Nico Westerman, arts voor acupunctuur en biofysische geneeskunde, legt daarin uit hoe het komt dat de werking van homeopathie niet gemakkelijk bewezen kan worden met behulp van de evidence based-methoden die in de reguliere geneeskunde worden gebruikt, en dat het (onwenselijke) gevolg daarvan is dat homeopathie dus ook niet wordt geaccepteerd door de reguliere geneeskunde. Daar komt nog bij dat de werkingswijze van de verdunningen die worden gebruikt in de homeopathie, botst met het denkkader van de reguliere geneeskunde. Zijn voorstel is dat de homeopathie laat zien dat ze wel degelijk óók een natuurwetenschappelijke basis heeft. Belangrijk daarbij is aantonen dat middelen die zo sterk verdund zijn dat ze geen moleculen van de werkzame stof meer bevatten, tóch effectief kunnen zijn.
Basis voor deel 1 en 2 van dit artikel zijn publicaties van Nico Westerman in het Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde van 2013, nr 1 en 3.

 

Deel 1  leest u hier

De basis is er ...

maar er is nog veel te doen!

Geregeld worden nieuwe artikelen toegevoegd aan deze website; zowel het kenniscentrum op deze website als de database groeien gestaag. Dat gebeurt heel zorgvuldig, zodat u kunt vertrouwen op de informatie die u hier vindt. Alle teksten worden geschreven en gecontroleerd door een team van professionals. In de database komen allereerst de meest voorkomende aandoeningen. Het kenniscentrum richt zich voor een belangrijk deel op 'wat u zelf kunt doen'.

Wilt u helpen? Word dan Vriend van Integrale Gezondheidszorg: van hokjes-denken op weg naar samen-denken.

Vrienden van integrale gezondheidszorg 

streven naar:

  • het bevorderen van betrouwbare, hoogwaardige integrale zorg voor iedereen die dat wil;
  • de erkenning van integrale zorg als onmisbaar element van een gezonde en vitale samenleving;
  • het beschikbaar maken van betrouwbare informatie over integrale zorg voor iedereen.

Voor minimaal € 10 per jaar wordt u Vriend en ontvangt u een digitaal tijdschrift met betrouwbare achtergrondinformatie over integrale gezondheidszorg (vier keer per jaar) en geregeld nieuwsflitsen.

Wilt u zich aanmelden om Vriend te worden? Vul dan uw gegevens in.

Lees meer

 

Mede mogelijk gemaakt door

Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door verschillende  tijdschriften en bedrijven. Zij hebben geen invloed op de inhoud van de verstrekte informatie.

Logo Medisch Dossier Logo Hahnemann apotheek

 Logo Roode Roos

Zoek een behandelaar

Op de websites van de artsenverenigingen kunt u zoeken naar een behandelaar bij u in de buurt.

AVIG: Zoek een integraal werkende arts (o.a. medische acupunctuur, natuurgeneeskunde, homeopathische geneeskunde, tandartsen, niet-toxische tumortherapie)

Bel de Infolijn Alternatieve Geneeswijzen voor een persoonlijk advies (088-2424240 alle werkdagen en maandagavond open, normale telefoonkosten).